background

EEN AFGEBROKEN AVONDSLAAP


Donderdag 31 maart 2022, ‘s middags, een uur of twee. Afdeling chirurgie.


Daar sta ik dan, ter voorbereiding op een operatie: onwennig, beetje nerveus, warm en koud tegelijk, lichtelijk trillend, zwetend, in zo’n “ziekenhuis-hemd” met drukknoopjes. Wachtend op het operatief herstellen van een navelbreuk.

D’r gebeurt nog niets, dus ga ik maar liggen in het aangewezen bed. Comfortabel voel ik me niet, maar ‘k wordt in elk geval weer een beetje warm.


Medewerkers (functies zijn mij onbekend), man/vrouw, lopen af en aan en rond, ze zijn druk bezig. Er heerst desondanks een ontspannen, zelfs humoristische sfeer: drukte en kleine grapjes. Dat stelt mij gerust.


Drie medewerkers op rij vragen naar mijn naam en geboortedatum. Nadat de eerste medewerker gedurende dit proces is weggeroepen, neemt een tweede het over. Waarna een derde medewerker de tweede weer overneemt. ‘k Wordt er een beetje onzeker door. “Loslaten …”, denk ik, “… niet iedereen is zo chaotisch als ik ben.”. Ik vertrouw op de kwaliteit en ervaring van de medewerkers.


Ik hoor een oproep dat beschikbaar personeel bijeen dient te komen. Geroezemoes. Maar er heerst wel rust. Ik vraag me af: is er misschien een groot ongeluk gebeurt? Of verwar ik de werkelijkheid van periodieke bedrijfsbijeenkomsten met de fantasiewereld van de ziekenhuisserie ER? Ook hier geldt: loslaten.


Aha, er zit schot in, een medewerker steekt een infuusnaald in m’n hand … in m’n hand? Een poosje later rollen deze medewerker en een collega, mij door een oranje (?) gang naar de OK. Het lijkt wel een toeristische rondtocht. Ik krijg uitleg waar we rijden en wat er zich rechts en links aan ruimtes bevind … zelfs waar de koffie staat. Zo weet ik waar ik ben, dat stelt mij gerust.

Onderweg wensen twee medewerkers (mij?) succes. Ik bedank ze. “Nee, dat was niet voor u bestemd, maar voor de collegae, dit is hun eerste keer.”. Ik glimlach. Humor zie ik als teken van “We kunnen het, heb vertrouwen in ons.”

Dan rollen we de pastel-geverfde OK in. Het is er koud. Ik ril ….


Ik hoor de opmerking “Het bed staat op de rem en u kunt overstappen.” Dat gaat niet zo gemakkelijk. 106 Kilogram en een pijnlijke rug bemoeilijken de bed-wisseling. Na enig ge-wurm lig ik op de operatietafel. Ik heb het koud en krijg een warmtekraag om. Dat helpt, ik krijg het warmer.


Een medewerker stelt zich voor als de chirurg en vraagt naar mijn naam, geboortedatum en de reden van de operatie. Nadat ik correct geantwoord heb, hoor ik gemompel van achter het mondkapje; ik concludeer dat het het inspreken betreft van een opnamebandje (of een modernere versie daarvan).


Ik krijg een masker op en een associatie uit 1959, ik was vijf jaar. Ik zat op een rood-rubberen schoot van een meneer, kreeg een kapje op waaraan een stofzuigerslang was gekoppeld. Toen ik weer wakker werd, waren m’n amandelen door de stofzuiger weggezogen, een gedachte die ik jarenlang vastgehouden heb.


Een week na de operatie terugdenkend, heb ik het idee dat ik stukjes omgevings-waarneming mis. En vraag ik me af of ik, voordat we gingen rollen naar de OK, al iets toegediend heb gekregen (en zo ja: dan ben ik dat dus vergeten). Of was het toch iets met dat masker?


Dan hoor ik dat de verdoving er aan komt. Iemand zegt dat m’n armen zullen gaan tintelen. Onderwijl tintelt echter mijn gezicht; ik wil dat mededelen maar ik kom niet verder dan dat ik die sensatie wil mededelen.


Ik wordt wakker gemaakt. “Of ik misschien al met m’n avondslaap ben begonnen?”. ‘k Heb geen idee, ‘k realiseer me nog niet waar ik ben. Het is zes uur ‘s avonds. Verdoving en morfine doen wat ze doen moeten: pijn verdoven. En verdoven ook m’n waarneming en herinnering. Twee aangeboden boterhammen zijn van harte welkom, ik heb al 24 uur niet gegeten; ik kan het dus: weinig eten. M’n partner wordt gebeld: ze kan me ophalen.


Om halfacht vertrekken m’n partner en ik rolstoel-rijdend. Een medewerker ziet me vertrekken. En constateert dat het toch nog niet goed met me gaat … dus verdwijn ik voor een kwartiertje weer in bed.

Bijgetrokken en me beter voelend, duwt mijn partner mij naar de uitgang van het ziekenhuis en onze auto, om naar huis te gaan. Thuisgekomen neem ik als een dweil plaats op de bank. En verdwijn na een half uurtje in m’n bed … om m’n om zes uur afgebroken avondslaap voort te zetten.