background

WAAR IK WEG KOM


Eind 1945, Tolbert, C377. Een klein, vervallen arbeidershuisje. De bewoners zijn een echtpaar: zij is afkomstig uit Arnhem, hij is een Tolberter. Hoe die twee elkaar in 1945 getroffen hebben en daarna bij elkaar zijn gebleven, zal altijd wel een raadsel blijven.


1954 is mijn geboortejaar en Tolbert m’n geboorteplaats, dezelfde woning als C377 maar nu heette het Hoofdstraat 20. Hetzelfde echtpaar zijn mijn ouders. M’n vader werkte toen nog als stoker/machinist bij de plaatselijke melkfabriek. En nam melkbussen met condenswater mee naar huis voor m’n babybadje; want m’n moeder vond het putwater geen goede keus.


In 1958 verhuisden we. Het huis dat we verlieten, werd dezelfde dag nog onbewoonbaar verklaard. Geheel terecht: het had geen riolering, geen waterleiding; de afvoer van de poepdoos mondde uit in de sloot achter ons huis. En er huisden ratten in overvloed.


Ons nieuwe adres: De Leek, Van Panhuyslaan 41. De gemeente (toen nog als verhuurder) trok de oorspronkelijk aangewezen woning aan De Pulvertorenstraat terug: het werd te goed bevonden voor een eenvoudige verzekeringsagent van De Centrale; de woning pastte beter bij een leraar aan de plaatselijke Lagere Technische School. Ik beschik nog over het huurcontract van 41: “…het is verboden in de tuin te wateren …”. De verheffing van het volk was begonnen.


De jaren daarna kwamen de Rotterdammers, import noemden we ze. De Leek was aangewezen als industriekern, om boeren, landarbeiders en de vele werklozen uit de regio aan werk te helpen: ik herinner me slechts een paar namen: Hunter Douglas en Netam, maar er waren meer.

Achter ons huis werden in het kader van de sociale woningbouw nieuwe huizen gebouwd. In de volksmond heette het de nieuwbouw, formeel stond het te boek als Plan West. Voor een 6-, 7-jarige zoals ik waren de gleuven voor de nieuwe rioleringen, de zandbulten en de huizen in aanbouw een fantastische speeltuin.


Sinds 1884 was op De Leek een touwslagerij gevestigd, die van Sjoerd van der Baan. Of het nu het initiatief van een invoelende Leekster is geweest of dat van een invloedrijke Rotterdammer, feit is dat één van de nieuwe straten in de nieuwbouw de naam “Lijnbaan” kreeg toegewezen. Bedoeld om de import zich thuis te laten voelen?


De Rotterdammers vormden het “kader”, gewend zoals zij waren om in de industrie leiding te geven dan wel binnen de kaders van een modern bedrijf te werken.

De import meldde zich aan bij de vele verenigingen. En vervulden er al snel bestuursfuncties. Dat ervoeren de allochtone Leeksters als bemoeizucht. De import was rapper van de tong gesneden en gewend om voor zichzelf op te komen. Alles wat een Leekster-van-toen niet was.


De huisvrouwelijke autochtonen bespraken in de bakkerswinkel en bij de melkboer gemoedelijk de gang van zaken in en rondom het dorp. Uiteraard in ‘t plat (dat een mengelmoes was van Fries, Gronings en Drents) ... maar niet te verstaan door de import. Dat ge-twitter-anno-1961 kostte tijd. Tja, dan is het als ongeduldige Rotterdammer toch simpel om netjes te vragen of je even voor mag gaan? Nee dus: dat werd (overigens zonder het rechtstreeks uit te spreken) als brutaal en voor-dringend ervaren.


Vanaf m’n 10e (het is 1964) bezorgde ik Het Vrije Volk, vanaf m’n 15e hielp ik zaterdags de broodventer van de Coöperatie. Vanaf m’n 16e was ik “noodhulp“ bij supermarktketen Fred van der Werff. Ik maakte, denk ik, meer dan mijn leeftijdsgenoten, kennis met kletsen (en) met volwassenen, zowel import als autochtoon.

Maar, of het nu onder de invloed van een jeugdtrauma is ontstaan en/of onder de invloed van de lokale cultuur: achteraf concludeer ik dat er meer nodig was om rechtstreeks te zijn, om voor mezelf op te komen. Wel beschouw ik de komst van de Rotterdammers als dé poort tot mijn ontwikkeling, die vele jaren later z'n beslag kreeg.


Omstreeks 1975 begon ik mij los te maken van m’n geboortegrond. Heel erg voorzichtig, dat wel. Ik studeerde in Groningen, trouwde traditioneel en vond een woning in de nieuwbouw van Tolbert.

Door een “stage-opdracht” vanuit m’n opleiding tot leraar, kwam ik in aanraking met het vrijwilligerswerk binnen het sociaal cultureel werk. Al snel werd ik afwisselend bestuurslid, vrijwilliger of tijdelijk-medewerker bij het centrum voor social-cultureel werk De Oude Ulo in Leek, daartoe gestimuleerd door mijn werkbegeleider Herman. Uiteindelijk rondde ik na een aantal omzwervingen pas in 1987 m’n HBO af in de welzijnssector.


Naast een aantal kwaliteiten had ik naam gemaakt als chaotisch, druk en onhandig. Op een vrije dag, genietend van mijn kop koffie aan de koffietafel van De Oude Ulo, liet een collega-vrijwilliger een dienblad met kopjes vallen. Berend, de beheerder, ergens op een verdieping werkzaam, buiten het zicht op de koffietafel, schertste “Als dat Van der Kaap niet is ...”. Op dat moment concludeerde ik dat het tijd werd om m’n geboortegrond geheel achter me te laten.


1990. Ik ging op zoek naar werk, buiten het noorden. Ik koos er voor om eerst m’n moeders geboortegrond (Gelderland) als uitgangspunt te nemen, het voelde als “bekend zijn met de omgeving”. Dus meldde ik me aan bij een TopStart in Nijmegen.

Veertien dagen later was ik directeur van AZC Heumensoord bij Nijmegen, gevestigd op een militair terrein. Daar zat ik dan: nog nooit zo’n positie bekleed hebbende en in een omgeving met een geheel andere woon-, leef- en werkcultuur dan in mijn geboorteplaats. Plus daarbij contact met een andere bestuurlijke laag: ik herinner me de eerste vergadering met gemeentelijke bestuurders, de commandant van de marechaussee, het hoofd van de vreemdelingendienst, de chef van politie: de “sterren en stippen” zoals ik ze in gedachten noemde. Functionarissen waar ik tot dan toe nooit iets mee te maken had gehad en alleen maar tegenop op keek … de Groninger underdog in me vierde hoogtij.

De functionarissen hadden van mijn underdog geen weet: ik werd gezien en ingeschat als de directeur van het AZC, als de man die het allemaal wist. Ik was niet meer de jongerenwerker-in-tuinbroek. Ik was (en belangrijker: ik voelde me) door mijn positie, van de ene dag op de andere een volwaardige gesprekspartner in tweedelig kostuum. Het verlaten van m’n geboortegrond had z’n effect gehad.


In de eerste week van m’n nieuwe bestaan, was er een informatie-avond gepland. In mijn onnozelheid verwachtte ik er weinig van. Immers, mijn ervaring in het sociaal-cultureel werk was dat je blij mocht zijn dat er bij zo’n activiteit een man en een halve paardenkop kwam kijken. Die avond niet: meer dan 250 geëmotioneerde toehoorders vulden de tent. Voor het vuistje weg hield ik mijn verhaal (kletsen had ik wel geleerd, langs de deur en in de supermarkt). En ik roeide tegen de stroom in van weerstand tegen asielzoekers. Dat was niet eenvoudig. Maar ik deed het en positioneerde me.

RTV Gelderland stuurde mij een paar dagen later een video-band van de bijeenkomst toe. Afgezien van het feit dat ik het vervelend vond om mezelf terug te zien (en ik zag voor het eerst dat ik kalend was), viel mij mijn noordelijke tongval op. Ik schaamde me er hevig voor! Deze schaamte kreeg echter een heel andere wending toen ik enkele dagen later m’n Limburgse collega Bert in een TV-uitzending zag: hij moest worden ondertiteld, hij wèl. Ik concludeerde dat ik zelf degene was die mezelf naar beneden haalde. Sindsdien ben ik er trots op dat mijn gesprekspartners kunnen horen waar ik weg kom. Ik ben Grunneger, trots op mijn geboortegrond, trots op mijn tongval.